Publication – Immacolata Aulisa, « Les juifs dans les récits chrétiens du Haut Moyen Âge »

Le Haut Moyen Âge est marqué par un foisonnement intellectuel et religieux dont témoigne la richesse des sources hagiographiques : passions et vies de martyrs et de saints, historiae de sanctuaires et de lieux de culte, translationes, apparitiones… Ces textes majeurs éclairent le quotidien des chrétiens, leurs attentes et leurs espoirs, les pratiques liturgiques et les relations qu’ils entretiennent avec les autres communautés religieuses. La place qu’y occupent les juifs interroge les mentalités médiévales et nous renseigne sur le regard que les chrétiens portent sur eux-mêmes.

les-juifs-dans-les-recits-chretiens-du-haut-moyen-ageDans cette vaste étude qui embrasse 600 ans d’histoire, du Ve au XIe siècle, Immacolata Aulisa montre que la vie des communautés juives médiévales ne doit pas être uniquement envisagée dans le sillage réducteur de l’antijudaïsme. L’image du juif persécuteur et « déicide » cohabite ainsi avec celle du juif martyr ou persécuté.

Le regard porté sur les juifs n’est donc pas toujours connoté de manière négative, comme il le sera plus systématiquement à partir du XIIe siècle.

Une étude à la fois érudite et accessible qui bouscule les idées reçues sur les sources de l’antijudaïsme chrétien.

Spécialiste du christianisme antique, Immacolata Aulisa enseigne à l’université de Bari.

Informations pratiques :
Immacolata Aulisa, Les juifs dans les récits chrétiens du Haut Moyen Âge, Paris, CNRS Éditions, 2015. ISBN : 978-2-271-08224-4. Format : 15 x 23 cm. prix : 23,75 euros.

Source : CNRS Éditions

Publié dans Publications | Laisser un commentaire

Appel à contribution – Stadsranden, urbanisatie en suburbanisatie. Tiende Landschapscontactdag

Tijdens de Vlaamse landschapscontactdag staat het onderzoek naar de genese en de dynamiek van het Vlaamse cultuurlandschap centraal. Dit uniek platform biedt de mogelijkheid om recente onderzoeksmethoden en -resultaten uit diverse disciplines omtrent landschapsgenese voor te stellen. Daarnaast is er ook ruimte voor discussie en uitwisseling van kennis en ideeën binnen het brede landschapsonderzoek. De landschapscontactdag streeft ernaar de interactie en samenwerking tussen verschillende invalshoeken en disciplines in landschapsonderzoek te versterken. Het raakvlak tussen natuur- en cultuurlandschap vormt immers een uitdaging voor elke landschapsdeskundige, historisch-geograaf, historicus, landschapsarcheoloog of ruimtelijke planner met interesse voor het verleden en de toekomst van het landschap in Vlaanderen.

10de LDGDDit jaar ligt de focus op de ontwikkeling van de stadsranden. De ontwikkelingen in de stadsranden weerspiegelen maatschappelijke trends inzake stadsgroei en de aanpassing van de open ruimte aan de veranderende eisen van de gebruikers. De vroegste steden bezaten nog in hoge mate een ruraal karakter. Vooral in de periferie was nog veel open ruimte aanwezig en vonden agrarische en industriële activiteiten plaats. Geleidelijk aan verdween de open ruimte onder invloed van demografische, strategische, economische en sociale impulsen.

Die evolutie van semi-agrarische naar urbane centra beïnvloedde ook de relatie van de steden met hun onmiddellijke omgeving of hinterland. De stadsmuren, soms voorzien van bijhorende infrastructuur zoals vesten, bastions en schootsvelden, staan vaak symbool voor de strikte scheiding tussen stad en platteland in de
pre-industriële samenleving. Er bestond weliswaar een continue wisselwerking tussen de stedelijke en de landelijke economie. De gevolgen van de toenemende urbanisatie waren dus niet alleen voelbaar binnen de stadsmuren, waar een stelselmatige verdichting van de bebouwde ruimte plaatsgreep. Ook het buitenstedelijke
landschap was gegeerd door verschillende spelers, onder meer toen steden juridische en economische claims legden op hun hinterland en, in toenemende mate, vanaf het moment waarop de militairstrategische en fiscale rol van omwallingen was uitgespeeld.

Daarom zoekt deze Landschapscontactdag naar bijdragen die ingaan op de mate waarin het (sub)urbanisatieproces dat steden doormaakten, bepalend was voor de ontwikkeling van de stadsranden. Hoe kan inzicht in dit proces leiden tot een beter begrip van de invulling van het voormalige stedelijk achterland? Vinden we in onze huidige stadsregio’s nog relicten die getuigen van dit ingrijpende ontwikkelingsproces en hoe gaan we daarmee om?

Open oproep:

We zoeken 5 lezingen die de problematiek van het (sub) urbanisatieproces van steden aanraken en inzicht geven in de historische drijfkrachten achter deze ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn we op zoek naar een aantal interessante excursies in de omgeving van Aalst. Suggesties voor een postersessie zijn eveneens
welkom.

Voelt u zich geroepen uw onderzoeksresultaten te delen, stel u dan kandidaat voor een lezing, excursieleiding of poster. Mail vóór 1 juni een samenvatting (van 250-400 woorden) naar: inge.verdurmen@rwo.vlaanderen.be.

Programma & Inschrijving:

Het definitieve programma zal in de loop van juli aangekondigd worden, waarna de inschrijvingen zullen starten.

Organisatie:
Onroerend Erfgoed
Stad Aalst
Katholieke Universiteit Leuven – Onderzoekseenheid Middeleeuwen
Universiteit Gent – Vakgroep Geografie & Vakgroep Geschiedenis
Universiteit Antwerpen – Departement Geschiedenis
Vrije Universiteit Brussel – Vakgroep Kunstwetenschappen & Archeologie

Source : Tiende Landschapscontactdag

Publié dans Appel à contributions | Laisser un commentaire

Conférence – Wim Blockmans, « Érasme et le prince Charles: conseils avisés contre intérêt dynastique »

Wim Blockmans (Netherlands Institute for Advanced Study – Universiteit Leiden) évoquera les prises de position d’un penseur engagé face au pouvoir de son temps. Des fragments de l’œuvre d’Erasme seront interprétés pendant la conférence, traduite simultanément en français.

Wim Blockmans (Netherlands Institute for Advanced Study – Universiteit Leiden) zal het standpunt schetsen van een geëngageerde denker tegenover de machthebbers van zijn tijd. Tijdens deze lezing zullen twee acteurs fragmenten uit het werk van Erasmus voorlezen.

Carton_Carolus_P1Érasme et le prince Charles: conseils avisés contre intérêt dynastique
Desiderius Erasmus entretenait d’étroites relations avec la cour des Pays-Bas. Il a rédigé son Éducation du prince chrétien pour le jeune prince qui deviendrait Charles Quint. De nombreux autres écrits d’Érasme témoignent de ses positions tranchées en matière d’éthique du pouvoir. Mais l’empereur Charles n’était pas le meilleur élève du grand maître…

Erasmus en prins Karel: wijze raad tegenover dynastiek belang
Desiderius Erasmus onderhield nauwe contacten met het hof in de Nederlanden en schreef voor de jonge prins die later Keizer Karel V zou worden zijn Leerstellingen voor een Christelijke Prins. Ook in talloze andere geschriften van Erasmus zijn heldere uitspraken te vinden over de ethiek van de macht. Keizer Karel bleek echter geen goede leerling van de grote meester…

Informations pratiques :
Jeudi 21 mai 2015 à 20h
Maison d’Érasme – Erasmushuis
Rue du Chapitre 31 Kapittelstraat, Bruxelles 1070 Brussel
Tel. (+32) 02.521.13.83 – info@erasmushouse.museum
http://www.erasmushouse.museum

Toegang gratis mits plaatsbespreking – Entrée gratuite sur réservation
Inschrijving online : http://www.erasmushouse.museum : inscription en ligne
ou – of : 02.521.13.83

De lezing is georganiseerd in samenwerking met het Masereelfonds i. k. v. Carolus Festival – La conférence est organisée en collaboration avec le Masereelfonds dans le cadre du Festival Carolus.

Source : Maison d’Érasme

Publié dans Colloque | Laisser un commentaire

Cycle de conférences – Carolus Festival

VISITBRUSSELS et ses partenaires se sont associés afin de proposer une programmation touristique qui renforce la notoriété et la visibilité nationale et internationale de Bruxelles dans le paysage culturel et patrimonial autour du thème de Charles Quint et de son époque. Cette collaboration a pour objectif de développer cette thématique d’année en année afin de satisfaire les amateurs d’histoire et de patrimoine.

Pourquoi Charles Quint ?
Pour certains, cet empereur est un précurseur de l’unité européenne. Mais n’exagérons rien : il a fait la guerre à trois reprises à François Ier, roi de France et ses relations avec Henri VIII, roi d’Angleterre, n’étaient pas moins orageuses. Mais ce que l’on peut dire avec certitude, c’est que sous le règne de François Ier, Henry VIII et Charles Quint, l’Europe du Moyen Age bascule dans les Temps Modernes et que de ces trois souverains, Charles Quint est le plus puissant.

Pourquoi Bruxelles ?
L’époque de Charles Quint a marqué le destin de la ville. Pendant son règne qui dure 40 ans, de 1515 à 1555, c’est à Bruxelles qu’il passe le plus de temps, faisant de la ville un centre de pouvoir pour son immense empire « où le soleil ne se couche jamais » ; c’est dans la grande salle d’apparat de son palais de Bruxelles qu’il choisira d’ailleurs d’abdiquer en faveur de son fils Philippe II.

img_8353Programme :

Erasme et le prince Charles
(NL traduit simultanément en FR)

Date : 21/05 – 20h
Conférencier : Wim Blockmans, professeur émérite d’histoire médiévale à l’Universiteit Leiden.
Organisateur : en collaboration avec le Masereelfonds
Entrée gratuite sur réservation (02/521 13 83 ou info@erasmushouse.museum)
Maison d’Erasme – rue du Chapitre, 31 – 1070 Bruxelles.

Desiderius Erasmus entretenait d’étroites relations avec la cour des Pays-Bas. Il a rédigé son ‘Éducation du prince chrétien’ pour le jeune prince qui deviendrait Charles Quint. De nombreux autres écrits d’Érasme témoignent de ses positions tranchées en matière d’éthique du pouvoir. Mais l’empereur Charles n’était pas le meilleur élève du grand maître…

Durant cette conférence du Prof. Wim Blockmans, deux lecteurs interpréteront des fragments de l’œuvre d’Érasme.

L’image du palais du Coudenberg au cœur de la ville ancienne

Date : 14/5 – 18h30
Conférencier : Stéphane Demeter, Historien au Service public régional de Bruxelles
Musée de la Ville de Bruxelles – Grand-Place – 1000 Bruxelles
prix : € 4 / Réservation : 02/279 43 50 – http://www.museedelavilledebruxelles.be

Les nombreuses peintures et gravures du Coudenberg, conservées au Musée de la Ville de Bruxelles, sont de véritables sources historiques. Elles illustrent précisément la place qu’occupait le palais dans la ville du XVIe siècle tant d’un point de vue politique que d’un point de vue social. À l’occasion de cette visite-conférence, le musée sortira de ses réserves quelques documents exceptionnels.

Les tapisseries de la Ville de Bruxelles. Une collection en contexte

Date : 6 /6 – 10h
conférencier : Cecila Paredes
Musée de la Ville de Bruxelles – Grand-Place – 1000 Bruxelles
prix : €4 /réservation : 02/279 43 50 – http://www.museedelavilledebruxelles.be

Pendant des siècles, l’excellence des tapisseries provenant des ateliers bruxellois a établi la renommée de la ville bien au-delà des frontières des Pays-Bas méridionaux. Admirés par les visiteurs étrangers, convoités par les élites princières et religieuses, ces objets d’un luxe inouï se sont frayé un chemin à travers l’Europe, assumant une part importante de l’apparat princier.

À l’occasion de la sortie de l’Historia Bruxelles.

Le triomphe d’Isabelle, petite-fille de Charles Quint

Date : 15/9 – 19h30
conférencier : Sabine van Sprang, Docteure en histoire de l’art et archéologie et conservatrice de la section Peinture flamande des XVIe et XVIIe siècles aux Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique.
Musée du Grand Serment Royal et de Saint-Georges des Arbalétriers de Bruxelles. Entrée par l’Impasse du Borgendael / Place Royale 7 – 9 / 1000 Bru
Prix : €6 ; 5€ membres arbalétriers / réservation : museum@arbaletriers-saintgeorges.be – http://www.arbaletriers-saintgeorges.be

Nous fêtons cette année le 400ème anniversaire de l’exploit de l’archiduchesse Isabelle, devenue Reine des Arbalétriers du Grand Serment en abattant le papegai en 1615. Les réjouissances qui ont suivi ont été immortalisées par le peintre Denis van Alsloot et ses collaborateurs en une série de huit tableaux dont sept ont pu être identifiés. L’analyse des peintures par le Dr Sabine van Sprang permet d’en comprendre les implications politiques, historiques, religieuses, architecturales et folkloriques.

À quel point Bruxelles est-elle orange
(NL traduit simultanement en FR)

Date : 2/6 – 19 h
Conférencier : Roel Jacobs
Organisateur : Masereelfonds en collaboration avec le Davidsfonds
Musée du Grand Serment Royal et de Saint-Georges des Arbalétriers de Bruxelles. Entrée par l’Impasse du Borgendael – Place Royale 7-9 1000 Bruxelles
prix : €6 – 4€ membres Masereelfonds / gratuit membres des arbalétriers
Info et réservation : http://www.masereelfonds.be – +32( 0)2/502 38 80

Les Belges savent que leurs voisins du nord voient orange dès qu’il est question de leur maison royale ou de leur équipe de foot nationale. Mais combien de Belges – et de Néerlandais – savent-ils que cette histoire est bruxelloise ? La famille de Nassau a joué un rôle très important dans l’histoire de Bruxelles et Bruxelles a joué un rôle très important dans l’histoire de la famille de Nassau. Leur présence dans la ville est une illustration frappante du rôle politique international de Bruxelles aux 15e-16e siècles. Roel Jacobs nous emmène, durant son exposé, à bord d’une machine à remonter le temps à la découverte de cette page fascinante de l’histoire bruxelloise.

André Vésale et le Coudenberg
(NL traduit simultanement en FR)

Date : 24 /6 – 19h30
Conférencier : Paul Broos/KU Leuven
Organisateur en collaboration avec le Davidsfonds)
Coudenberg- entrée 5 rue Villa Hermosa – 1000 Bru
Prix : € 6 – réservation brussel@davidsfonds.be, 0479/10.22.89 – http://www.brussel.davidsfonds.be

André Vésale (1514 – 1564) a été le premier à critiquer vivement la doctrine réputée infaillible de Galien. Il a magnifiquement décrit l’anatomie du corps humain.

Vésale a effectué des travaux de recherche à Paris et Louvain mais c’est durant son séjour de six ans à Padoue, de 1537 à 1543, qu’il marque réellement la science de son empreinte. Il est le premier à accompagner de belles illustrations, correctes d’un point de vue anatomique, d’un texte de haute valeur scientifique. Mais saviez-vous que la famille Vésale entretient un lien particulier avec le Palais de Bruxelles ? Non seulement André, mais également ses aïeux, étaient déjà liés à la cour. Après une carrière scientifique bien remplie, André junior entre en 1544 au service de Charles V comme médecin de la cour mais aussi comme … chirurgien militaire ! André est également présent lorsque, le 25 octobre 1555, Charles abdique dans la grande salle du palais de Bruxelles. Philippe II est désormais son maître. Celui-ci l’envoie en 1559 au chevet de son beau-père Henri II de France, mourant. Mais André ne peut que prédire la mort prochaine du souverain. L’œuvre de Vésale peut sans conteste être considérée comme l’un des plus grands trésors de notre civilisation occidentale. Son chef-d’œuvre De Humani Corporis Fabrica et l’Epitome qui l’accompagne, publiés pour la première fois à Bâle en 1543, marquent le début définitif de la science moderne, basée sur l’observation et la recherche. Vésale mérite sa place parmi les plus grands médecins de tous les temps aux côtés d’Hippocrate, Galien, Harvey et Lister.

Source : Visit Brussels

Publié dans Colloque | Laisser un commentaire

Publication – Armand Jamme (dir.), « Le souverain, l’office et le codex : gouvernement de la cour et techniques documentaires à travers les libri officiariorum des papes d’Avignon (XIVe-XVe siècle) »

Le XIVe siècle est généralement perçu comme un temps au cours duquel l’institution pontificale développe par l’écrit ses moyens de gouvernement et augmente le nombre de ses serviteurs et représentants Urbi et Orbi. Avec l’extension d’une résidence, qui à Avignon devient au milieu du siècle la plus vaste structure palatiale fortifiée d’Occident et qui concentre des fonctions de gouvernement de l’Église, de la foi et de l’univers, la gestion des officiers du monarque, de leurs fonctions, de leurs privilèges et de leurs carrières en vient à poser de tels problèmes que le camérier de Clément VI décide d’ouvrir un livre pour conserver mémoire des décisions de son maître. Il ne peut se douter que la solution qu’il expérimente se révèlera fondatrice : ses successeurs procèderont de même jusqu’au XVIe siècle. Cet ouvrage examine la genèse d’un tel phénomène documentaire. Il est rare en effet de disposer pour le Moyen Âge des éléments originels d’une si longue succession de volumes. Ils permettent de saisir d’abord les voies par lesquelles celle-ci se construit, de mesurer les expériences et les remords, les fractures et les choix alternatifs qui en nourrissent l’évolution. Ils renseignent ensuite les méthodes de gestion des ressources humaines de l’institution pontificale, à l’âge où celle-ci se mue en puissance administrative. Ils suggèrent enfin, contre toute attente, que le gouvernement de la cour du monarque ecclésiastique, qui souvent abuse des titres et des charges honorifiques, ne souligne guère l’omnipotence que la littérature canonique lui attribue. Ce livre étudie les formes d’une scripturalité documentaire, constamment repensée pendant un demi-siècle, avant de proposer une édition de tous les registres et cahiers aujourd’hui conservés, de la naissance de cette série en 1347 jusqu’à la fin de l’ère dite avignonnaise.

Jamme - EFRArmand Jamme, ancien membre de l’École française de Rome, est directeur de recherche au CNRS et membre du Ciham (Histoire, Archéologie, Littératures des mondes chrétiens et musulmans médiévaux, UMR 5648)

Table des matières : ici

Informations pratiques :
Armand Jamme (dir.), Le souverain, l’office et le codex : gouvernement de la cour et techniques documentaires à travers les libri officiariorum des papes d’Avignon (XIVe-XVe siècle), Rome, École française de Rome, 2014 (Sources et documents, 3). ISBN: 978-2-7283-0949-8. 492 p., ill. coul. Prix : 68 euros.

Source : École française de Rome

Publié dans Publications | Laisser un commentaire

Colloque – La peinture murale à l’époque romane. XLVIIes Journées romanes

XLVIIes Journées romanes (6 au 11 juillet 2015).
Abbaye Saint-Michel de Cuxa (Sant Miquel de Cuixà).
La peinture murale à l’époque romane

Bulletin d’inscription : ici

Journées romanes - Cuxa

Programme :

Lundi 6 juillet

13h : Accueil
15h : Conférence d’ouverture – Christian Davy (service régional de l’Inventaire des Pays de la Loire) – 1811-2015. De l’invention à l’exploration de la peinture murale romane
16h : Jordi Camps et Mireia Mestre (Museu Nacional d’Art de Catalunya, Barcelona – MNAC) – Conserver et gérer la peinture murale romane dans un musée. La collection du Museu Nacional d’Art de Catalunya (Barcelone) –
17h : Caroline de Barrau, Quitterie Cazes, Emmanuel Garland – Visite de l’abbaye et du cloître
18h30 : Apéritif d’accueil

Mardi 7 juillet

9h : Giulia Bordi et Elisa Tagliaferri (Università degli Studi Roma Tre) – Laïcs, nobles et parvenus dans la peinture murale à Rome et dans le Latium du VIIIe au XIIe siècle
10h30 : Marcello Angheben (Université de Poitiers, CESCM) – Le décor peint des sanctuaires et ses relations avec la liturgie
14h00 : Alexandre Gordine (Musée de l’Ermitage, Saint-Pétersbourg) – Le premier âge roman dans la peinture murale du Centre-Ouest de la France
15h30 : Milagros Guardia (Universitat de Barcelona, IRCVM) – Une nouvelle géographie de la peinture murale romane ?
17h00 : Carolina Sarrade (Université de Poitiers, CESCM) – Une nouvelle approche des peintures de Saint-Savin à travers le relevé archéographique
Conférence d’étudiant – 18h00 : Anne Leturque (Université Paul Valéry Montpellier III – CEMM et Universitat Autònoma de Barcelona) – Concevoir et réaliser un décor monumental au Moyen Âge en Catalogne. Les exemples de Saint-Martin de Fenollar et de Sainte-Marie de la Cluse-Haute
18h30 : Concert vocal (entrée payante), Companyia musical catalana (dir. Josep Cabré)

Mercredi 8 juillet

Visite : Olivier Poisson – En Vallespir : Saint-Martin de Fenollar (Maureillas), Saint-Nazaire de la Cluse-Haute (Les Cluses)
En Ampourdan (Catalogne) : Sant Miquel de Cruïlles, Sant Tomas de Fluvià,
Fontclara et Sant Esteve de Maranyà – Marcello Angheben, Pere Rovira

Jeudi 9 juillet

9h00 : Jean-Louis Rebière (architecte en chef des Monuments historiques) et Emmanuel Garland (Docteur en histoire de l’art) – L’église Saint-Pierre d’Ourjout (Les Bordes-sur-Lez, Ariège) et son décor peint inédit
10h30 : Cécile Voyer (Université de Bordeaux-Montaigne/CESCM) – Le décor peint et la culture visuelle des chanoines de Saint-Junien et des Salles-Lavauguyon au XIIe siècle dans le diocèse de Limoges
14h00 : Carles Mancho (Universitat de Barcelona, IRCVM) – Saint-Pierre de Sorpe. La complexité de la peinture romane pyrénéenne
15h30 : Marina Falla Castelfranchi (Università del Salento, Lecce) – La peinture rupestre byzantine en Italie méridionale et ses particularités
17h00 : Jürg Goll (Service archéologique des Grisons, monastère bénédictin St-Jean de Müstair) – Les peintures murales romanes de Müstair (Suisse)
Conférence d’étudiant – 18h00 : Marina Paniagua (Universitat de Barcelona) – Les inscriptions peintes des églises romanes catalanes
18h30 : Assemblée générale de l’Association culturelle de Cuxa

Vendredi 10 juillet

matinée : visite
Olivier Poisson  – Église Saint-Sauveur de Casesnoves, et peintures détachées, Hospice d’Ille
Anne Leturque – Présentation du programme de recherche Factura et du film Les peintures murales détachées de Casesnoves, reconstitution virtuelle dans leur espace d’origine

14h00 : Térence Le Deschault de Monredon (Université de Genève-Universitat Autònoma de Barcelona) – La peinture murale figurative dans l’habitat roman
15h30 : Manuel Castiñeiras (Universitat Autònoma de Barcelona) – La peinture autour de 1200 et la Méditerranée : voies d’échanges et processus de transformation entre Orient et Occident
17h00 : Michele Bacci (Lehrstuhl für Kunstgeschichte des Mittelalters, Universität Freiburg) – Le statut de l’image peinte dans l’Occident médiéval : quelques réflexions

18h00 : Christian Davy (service du patrimoine, région Pays de la Loire) – Conclusions

Samedi 11 juillet

Visite : Peintures murales des églises romanes d’Andorre
Sant Vicenç d’Estamariu (La Seu d’Urgell) – Santa Coloma (Andorra la Vella),
Sant Martí de la Cortinada, Sant Joan de Caselles

Conférence in situ à Ordino, auditori nacional : Cristina Tarradellas (Universitat de Barcelona) – La peinture murale romane d’Andorre : Sant Martí de La Cortinada, Sant Joan de Caselles et Santa Coloma

Source : CESCM

Publié dans Colloque | Laisser un commentaire

Appel à contribution – Paris c.500-c.1500: The Powers that Shape a City

British Archaeological Association
2016 Annual Conference
Paris c.500-c.1500: The Powers that Shape a City

The British Archaeological Association annual conference for 2016 will be held in Paris. The city boasts a very rich archaeological history that is becoming increasingly well-known due to the ongoing work of the Commission du Vieux Paris, French based university teams focusing on the city’s material history, and scholars worldwide. Paris offers an embarrassment of riches to the archaeologist and art historian, and to set some limit on the possibilities, this conference will address the theme of ‘The Powers that shaped the City’ over the millennium between the end of the Roman Imperium and the Renaissance. Several powers converged and conflicted in the shaping of the city – royal power; the power of the secular and the monastic church; the power of the mendicant friars, the schools and colleges of the University of Paris; and the power and wealth of a vibrant urban patriciate.

The conference will take place from Saturday 16th July 2016 to Wednesday 20th July 2016. Lectures will be held in the Institut National de l’Histoire de l’Art (INHA), at Rue Vivienne.

We welcome papers addressing any aspect of material culture in Paris (architecture, painting, decorative arts) that reflects on the theme of the powers that shape the city. If you would like to give a paper, please contact one of the convenors, Professor Meredith Cohen (mcohen@humnet.ucla.edu) or Professor Lindy Grant (l.m.grant@reading.ac.uk).

Paper proposal deadline: 1 June 2015.

Source : The Medieval Academy blog

Publié dans Appel à contributions | Laisser un commentaire

Offre d’emploi – Contrat postdoctoral, laboratoire ATILF (Université de Lorraine)

Le laboratoire ATILF propose un CDD sur travaux scientifiques de 12 mois en linguistique informatique dans le cadre de l’obtention d’un financement ANR de trois ans (MSH Lorraine Inalco– CNRS ATILF).

Le chercheur travaillera avec l’équipe constituée autour du projet ALIENTO (Analyse Linguistique, Interculturelle d’énoncés sapientiels et Transmission Orient/Occident-Occident/Orient)

Début du contrat : 1 octobre 2015.

Description du projet dans lequel le poste s’inscrit et mission du post-doctorant

Aliento est un projet interdisciplinaire innovant qui s’inscrit dans le domaine nouveau des humanités numériques. Notre démarche interdisciplinaire croise les pratiques scientifiques entre spécialistes des textes, linguistes, parémiologues et chercheurs en informatique. Le dialogue des disciplines à propos d’un objet commun (la circulation des énoncés sapientiels brefs médiévaux) ouvre de nouvelles perspectives de recherche tant méthodologiques que conceptuelles. En ce sens, ALIENTO occupe une place centrale dans le traitement scientifique et méthodologique des textes sapientiels, tant par la nature de ses corpus et la manière de les traiter, sa gestion du multilinguisme, sa réflexion en matière d’étiquetage, que par l’originalité de son approche qualitative de l’exploitation de corpus (interopérabilité homme-machine).

Objectifs du projet :
Le projet Aliento vise à l’élaboration d’un outil informatique (un logiciel transférable à d’autres textes semblables) à partir d’un important corpus de référence constitué de 8 textes apparentés ayant circulé dans la Péninsule ibérique au Moyen Âge (en latin, arabe, hébreu, espagnol et catalan), soit 582 pages de textes pour un nombre d’énoncés sapientiels brefs évalué à 9570 unités, permettant d’extraire les connaissances des corpus annotés sur les sources, la transmission, la circulation et la postérité des énoncés sapientiels de la Péninsule Ibérique (IXe-XVe siècle) entre les Trois Cultures).

L’objectif est d’apporter des réponses actuellement hors de portée faute d’outils pertinents pour traiter des corpus apparentés mais multilingues et en grande partie non alignables ; de donner, enfin, grâce à la création collective d’un outil informatique approprié d’automatisation de l’appariement des données sapientielles multilingues (dont l’arabe et l’hébreu), la possibilité aux médiévistes d’accéder aux savoirs les uns des autres, au-delà de la barrière des langues et des disciplines.

Les étapes de travail sont :

  • l’annotation des textes à l’aide des balises XML/TEI compatibles, portant sur le sens, la forme, la structure, la leçon de chaque énoncé sapientiel bref repéré, de façon à pouvoir croiser les énoncés sapientiels et développer par expérimentation collaborative avec les chercheurs informaticiens un protocole de balisage performant pour ce type d’unités, transférable à d’autres corpus (formalisation ; normalisation ; création d’une ontologie commune à ces types d’énoncés) ;
  • L’élaboration d’un outil capable d’effectuer les appariements et constituer une interface trilingue permettant de consulter ces résultats, c’est-à-dire, les liens établis entre les énoncés sapientiels brefs ;
  • L’analyse des résultats des appariements
  • La diffusion des résultats scientifiques dans le domaine des humanités permettant d’étudier la circulation des énoncés sapientiels brefs, leurs transformations et leurs degrés d’acculturation en fonction de leur intertextualité propre.
  • Le présent projet d’ANR ALIENTO se situe dans le prolongement de 4 années de recherche.

Pour en savoir plus : http://www.aliento.eu

Mission du post-doctorant :
Le/La post-doctorant(e) aura une formation en linguistique informatique. Sa mission sera de proposer et développer une méthodologie utilisant toutes les annotations (sens, forme, structure, traduction multilingue) ajoutées par les chercheurs du projet pour calculer l’appariement des énoncés sapientiels. L’objectif est donc de développer un outil permettant de détecter automatiquement les similarités entre énoncés pour les relier afin d’en faciliter la consultation ultérieure. Le travail sur les aspects multilingues sera une véritable plus-value sur les résultats attendus.

Il/Elle travaillera à Nancy (Laboratoire ATILF, CNRS/Université de Lorraine) en étroite collaboration avec l’équipe ALIENTO (Paris-Nancy).

Compétence :
– Doctorat en linguistique informatique
– Bonne connaissance des langages de balisages (XML)
– Bonne connaissance des approches probabilistes en linguistique

Contrat :
Durée : 12 mois
Aucune condition de nationalité n’est exigée. Pour les candidats non francophones, la langue de communication peut être l’anglais
Début du contrat : 1er octobre 2015
Date limite de candidature : 31 Août 2015
Salaire brut mensuel : 2525€ à 2913€ /mois selon expérience

Envoyer un CV de trois pages maximum, le résumé de la thèse et une lettre de motivation à :

  • Étienne Petitjean : etienne.petitjean@atilf.fr
  • Jean-Marie Pierrel : jean-marie.pierrel@atilf.fr
Publié dans Offre d'emploi | Laisser un commentaire

Conférence – Jérôme Verdoot, « Le déclin de l’abbaye de Lobbes au Moyen Age serait-il dû à une crise de la dette ? »

Le lundi 11 mai, à 19h00, Jérôme Verdoot (Aspirant FNRS/ULB) présentera une conférence intitulée Le déclin de l’abbaye de Lobbes au Moyen Age serait-il dû à une crise de la dette ? à la collégiale Saint Ursmer de Lobbes.

Entrée :
5 euros
4 euros (-18 ans, CEDARC, Carte Prof, Senior, Ass. laïques, scientifiques… Art.27.)
Gratuit (-14 ans et Pass-CT / ULB)

Renseignements :
Bernard Josse – 0496/10.49.99

Le lundi 4 mai, Jérôme Verdoot était par ailleurs l’invité de « Un jour dans l’histoire » (RTBF – La Première) pour une émission intitulée « Grandeur et déclin de l’abbaye de Lobbes ». Le podcast de l’émission est téléchargeable : ici

Source : Commune de Lobbes

Publié dans Colloque | Laisser un commentaire

Colloque – Orare aut laborare ? Fêtes de précepte et jours chômés du moyen âge au début du XXe siècle

Selon Alphonse Dupront, le temps et l’espace sont les deux catégories essentielles pour aborder les questions religieuses. Si nous avons désormais de nombreuses réflexions sur la géographie sacrée, voire le paysage sacré, le rapport au temps est peu étudié malgré quelques travaux récents.

Dès les premiers siècles, les chrétiens instaurèrent des fêtes en l’honneur du Christ, de la Vierge, des apôtres ou encore des saints. De nombreux conciles généraux ou provinciaux mirent en avant certaines d’entre elles, les imposèrent aux fidèles. Rapidement, leur nombre s’accrut. À côté des fêtes majeures célébrées par toute la chrétienté, des spécificités se firent jour qui privilégièrent notamment des saints régionaux. Les évêques jouèrent un rôle essentiel en imposant des calendriers à l’échelle de leur diocèse. Les fêtes d’obligation, le temps sacré, rythmaient ainsi la vie des fidèles sous l’Ancien Régime. Au nombre d’une trentaine ou d’une quarantaine par an dans la plupart des diocèses, elles ne constituaient pas seulement une réalité religieuse, mais aussi sociale, économique et humaine.

La terminologie et la typologie suscitent d’abord la réflexion. Fêtes de précepte, fêtes d’obligation, fêtes chômées, fêtes majeures, fêtes mineures, demi-fêtes, fêtes à garder, fêtes à dévotion etc. peuvent désigner des pratiques identiques, mais aussi des usages fort variables : obligation d’entendre la messe, interdiction de travailler la journée ou une partie de celle-ci, jeûne, etc.

L’évolution de ces fêtes constitue une autre réalité fondamentale. Quand les calendriers diocésains ont-ils été établis et se sont-ils stabilisés ? Peut-on remarquer l’ajout de nouvelles fêtes au fil du temps ? Mais aussi – et surtout – se pose la question des réductions de ces fêtes. A quelle époque intervinrent-elles ? Certaines régions figurent-elles à l’avant-garde ou d’autres demeurèrent-elles plus attachées aux traditions ?

Ceci amène à s’interroger à propos des raisons de ces réductions. Les critiques furent nombreuses et reposent sur des arguments variés : entrave au travail, perte de revenus pour l’Etat, désordre, immoralité qu’entraînent les jours chômés, etc. Il faut examiner également l’origine des critiques et des réformes menées dès le moyen âge, mais surtout à l’époque moderne et singulièrement au XVIIIe siècle : fidèles, philosophes, économistes, autorités civiles, autorités ecclésiastiques ? Souvent la réponse est complexe et résulte d’une conjonction de motivations et d’intervenants. En lien, se fait jour la question de la portée des mesures prises (diocèses, états, catholicité ?) et du poids des frontières ecclésiastiques, mais aussi politiques.

La période révolutionnaire va balayer ce calendrier et instaurer de nouveaux repères festifs. Le début du XIXe siècle va marquer à la fois un renouveau et un tournant radical pour ces fêtes. Calendriers ecclésiastique et civil sont maintenant bien séparés. Mais ce dernier intégrera nombre d’anciennes fêtes religieuses, sans – il va sans dire – que plus aucune obligation cultuelle ni sens sacré n’y soient associés. Mais que choisit-on de conserver et, à l’inverse, d’éliminer, dans une perspective cette fois de «jours de congé ». Quels furent les arbitrages ? Se pose également la question de l’évolution de ces fêtes et de leur perception au regard du contexte de 1905 et des lois françaises de séparation entre l’Église et l’État.

Acteurs multiples, mais aussi ressentis multiples, tant au regard des fêtes et des obligations qu’elles sous-tendent que des réformes. On pense en premier lieu aux fidèles et plus largement aux individus. Quelles furent ensuite les attitudes du clergé paroissial, des autorités ecclésiastiques, mais aussi du Saint-Siège ? Les milieux jansénistes adoptèrent-ils des positions spécifiques ? On rejoint ainsi la question du respect et du contrôle des obligations liées à ces fêtes religieuses, qui traduit un état d’esprit révélateur des conceptions par rapport aux devoirs du chrétien et à la dévotion, mais également par rapport aux règles sociétales.

Qu’il s’agisse des origines, de la situation médiévale et du début des temps modernes, de l’époque phare de la réduction des fêtes au XVIIIe siècle ou encore de leur destin jusqu’aux premières années du XXe siècle, les fêtes seront abordées en tant que réalité pour les fidèles. Cela inclut, bien entendu, les influences exercées par les autorités civiles et le clergé séculier, mais aussi régulier dans la mesure où celui-ci intervint dans les pratiques du « peuple de Dieu ».

En s’ouvrant largement à l’espace catholique européen, ce colloque vise à mettre en évidence les différences régionales et à insister sur les grandes pulsations qui caractérisent près de quinze siècles d’histoire religieuse.

Programme :

29 mai 2015
Université Saint-Louis – Bruxelles

9 h – Introduction

9 h 15 – Bruno Dumézil (Université Paris Ouest Nanterre La Défense) : L’instauration du dimanche comme jour chômé. Etude comparative dans l’espace européen
9 h 40 – Charles Mériaux (Lille 3) : Jours chômés et fêtes dans le monde franc (VIe – XIe siècles)
10 h 05 – Discussion

10 h 35 – Catherine Vincent (Université Paris Ouest Nanterre La Défense) : Fixer, respecter et critiquer les fêtes de précepte au Moyen Âge: enjeux doctrinaux, pastoraux et sociaux
11 h 00 – Alain Cabantous (Université Paris 1 Panthéon Sorbonne) : Un calendrier à l’épreuve. Dimanches et jours de fête en Angleterre (fin XVIe – début XIXe siècle)
11 h 30 – Discussion

13 h 45 – Philippe Desmette (Université Saint-Louis Bruxelles) : Les fêtes de précepte : un enjeu entre épiscopat et pouvoir civil dans les Pays-Bas et la principauté de Liège du XVe au XVIIIe siècle.
14 h 10 – Philippe Moulis (Université Paris 13) : Prélats jansénistes et calendriers diocésains dans la France septentrionale
14 h 35 – Discussion

15 h 05 – Gaël Rideau (Université d’Orléans) : La fête processionnelle en France au XVIIIème siècle entre dévotion et police
15 h 30 – Philippe Martin (Université Lumières Lyon 2) : Assister à la messe : obligation ou geste de piété ?
15 h 55 – Discussion

16 h 20 – Silvia Mostaccio (Université catholique de Louvain) : Conclusions

Informations pratiques :
29 mai 2015 – Bruxelles
Université Saint-Louis – Bruxelles

salle du conseil (4e étage)
43 Bd du Jardin Botanique
1000 Bruxelles (Belgique)

16 octobre 2015 – Lyon
Université Lyon 2 Lumière

Les programme et local seront communiqués ultérieurement

Comité organisateur :
Philippe Desmette (Université Saint-Louis – Bruxelles) – philippe.desmette(at)usaintlouis.be
Philippe Martin (Université Lyon 2) – philippe.martin(at)univ-lyon2.fr

Comité scientifique :
Catherine Vincent (Paris Ouest Nanterre La Défense)
Paola Vismara (Università degli studi di Milano)
Christian Sorrel (Lyon 2)
Philippe Martin (Lyon 2)
Silvia Mostaccio (Université catholique de Louvain)
Philippe Desmette (Saint-Louis Bruxelles)

Source : CRHiDHI

Publié dans Colloque | Laisser un commentaire